Geschiedenis en Ontwikkeling van de Lier, of Lyra

Griekse Lier met schaalvormig klankdeel van het dekschild van een schildpad.

De lier werd voor het eerst vermeld in de Soemerische Kunst omstreeks 2800 v.Ch., doch waarschijnlijk zelfs nog ouder. In de Bijbel wordt de lier ook beschreven; waarop Jubal, de stamvader, op een lier of fluit speelt, waarbij vermeld staat dat het bespelen van de instrumenten één van de drie oudste beroepen op aarde is. Voorts wordt de lier vermeld in het Oude Testament de tijd van Koning David, die het instrument bespeelde, om zo Koning Saul op goede gedachten te brengen. Tevens speelde Koning David zonder plectrum, om een warmere en diepere klank te creëren.

De lier, onderverdeeld in schaal- en dooslieren, is een aparte familie van de chordofooninstrumenten. Chordofonen zijn instrumenten waarbij het geluid wordt voorgebracht door het vibreren van snaren.

De lier uit de Oudheid was meestal besnaard met 7 tot maximaal 11 diatonisch (zoals de witte toetsen van de piano) gestemde darmsnaren, die bevestigd waren aan de romp, bestaande uit één gesneden stuk hout, en gespannen werden over een kam, en boven aan de dwarsbalk bevestigd werden. De romp bestond uit een U-vorm, met aan de bovenkant een dwarsbalk. De lier werd geplukt getokkeld, waardoor het wel de voorloper van de tegenwoordige harp genoemd wordt, maar werd ook wel bespeeld met een plectrum, waarop later gitaarbouwers zich lieten inspireren.

Over heel de wereld werd de lier in de Oudheid bespeeld, en elk land had zijn eigen type lier. In Griekenland bijvoorbeeld, werd het klankdeel in de romp uitgerust met een schaalvormige overkapping dat verkregen werd van het dekschild van de schildpad. Dit instrument wordt voor het eerst vermeld in de Griekse Mythologie Hermes, de boodschapper van de Goden.

In Scandinavië, Engeland en Estland hadden de lieren meer een rechthoekig uiterlijk, een H-vorm waarvan het onderste deel dicht is, besnaart met maximaal 6 snaren, die doormiddel van een strijkstok bespeeld werden, de zogenaamde ‘gestreken lieren’.

In Israël wordt de lier benaamd als kinnor (Hebreeuws), en staat symbool voor het Joodse volk, daarom ook wel het nationaal instrument van het Joodse volk genoemd. In modern Hebreeuws betekend kinnor ‘viool’. Typerend, als je bedenkt dat er ‘gestreken lieren’ bestaan hebben. De kinnor wordt ook wel Davids Harp genoemd, feitelijk onterecht, als je weet dat de snaren van de harp rechtstreeks vanuit het klankdeel schuin naar boven staan, en bij de lier langs het klankdeel vanuit het onderste deel van de romp recht naar boven staan. De lier is dus zeer zeker geen harpachtige! Bovendien is de harp een eigen familie binnen de chordofonen.

In Afrika en Siberië worden lokaal nog steeds de ‘oude type’ lieren bespeeld, meestal bestaande uit een schaalvormig klankdeel, soms ook een doosvormig klankdeel, waaruit twee stelen een dwarsbalk dragen waaraan de snaren zijn bevestigd. Tevens worden de instrumenten versierd met veren en kralen. Tijdens religieuze festiviteiten en ritualen begeleidt men daar het zingen.

Toch raakte de lier in vergetelheid, en diende alleen nog als symbool, zoals die nu b.v. het Koninklijk Concertgebouw te Amsterdam siert.

Herontdekking en verbetering

De Lier als symbool van Muziek, prijkend op het Concertgebouw te Amsterdam.

Herontdekking door Edmund Pracht en Lothar Gärtner

In 1926 werd de lier opnieuw ontdekt en gebouwd, gemoderniseerd door Edmund Pracht en Lothar Gärtner. De stemming werd chromatisch (zoals een piano gestemd is), en de darmsnaren werden vervangen door stalen snaren, die het mogelijk maakte moderne muziek te spelen. Pracht componeerde zelfs speciale liermuziek. De lierbouw is heden ten dage in ontwikkeling door verschillende instrumentbouwers verspreid over alle continenten. Toch staat de lier in Europa tegenwoordig meer ten diensten van de vrije scholen, de heilpedagogiek en muziektherapie, terwijl in enkele delen van Azië en Afrika het instrument nog wel een amusementsdoel heeft.

Sterke verbetering door Bart Sierhuis

Bart Sierhuis, oorspronkelijk fotograaf van beroep, kwam eind jaren-60 in aanraking met de lier door zijn verstandelijk beperkte dochter, die hij goede zorg wilde bieden, die hij zou vinden in de heilpedagogiek. Zijn grote interesse in deze filosofie en houdbewerking zou hij later combineren in de functie van leraar handenarbeid aan een instelling in Zeist, waar hij Irmin Everbag leerden kennen, via haar moeder die daar werkte, waarmee hij een uitwisseling kreeg over de lier, toen nog alleen gebouwd door Lothar Gärtner, waarop Irmins leerlingen speelden. Het instrument, bezat nog steeds de nasale klank, zoals de instrumenten vroeger klonken. Inmiddels was de harp al verder in haar klank ontwikkeld, en dat dwong Sierhuis na te denken over een manier de lier ook te verbeteren in haar klank. Een beetje zoals Koning David, die ook al bezig was met het verbeteren van de klank. In de geschiedenisboeken werd zijn aandacht getrokken naar het verhaal van Koning David en ging met dat beeld aan het experimenteren en bouwde van hout zijn eerste verbeterde lier, een Harpina, noemde hij haar.

Het geheim

Na intensieve samenwerking met Irmin, en velen verbeteringen ontstond een volledig nieuw ontworpen lier (hij noemde haar Kinnor of Davids Harp) bestaande uit een romp in een gespiegelde D-vorm, die het beeld van Koning David symboliseert, met daarin een los liggend klankdeel, die de resonantie anders bewerkt, en verantwoordelijk is voor een diepere warme klank, en met name de naklank verminderde, waardoor de harmonische klank bij het samenspelen verbeterde.

Bij een ‘oude type’ lier waar de romp en het klankdeel uit één stuk hout wordt vervaardigd, resoneert al het hout mee, dat een nasale klank voorbrengt, en een langdurige naklank geeft, waardoor een melodie klinkt als een harmonie (meerdere tonen tegelijk). In Afrika was men hier waarschijnlijk ook mee bezig geweest, omdat het schaalvormige klankdeel ook los bevestigd was aan de twee stelen waaraan de dwarsbalk bevestigd was.

Ook bewerkstelligde Sierhuis een makkelijkere techniek, door omwoelde stalen snaren te gebruiken, waardoor de vingertoppen makkelijker een vollere klank vormen.

Bij gewone stalen snaren moet veel meer druk worden uitgeoefend om een goede klank te krijgen, iets dat voor kinderen, die nog niet zoveel kracht bezitten, helemaal veel moeite vraagt.

Erkenning?

Bart Sierhuis heeft de lier een grote stap vooruitgebracht, maar kreeg helaas weinig erkenning. Dat is deels te wijten door het feit dat de lier niet echt meer een volksinstrument is. Anderzijds wordt de lier nog steeds bespeeld binnen de antroposofie, zoals de heilpedagogiek en het vrije school onderwijs, die ruim 40 jaar later nog steeds heil blijven vinden bij de lieren gebouwd door Gärtner en Choroi, terwijl Sierhuis werkzaam was in de heilpedagogiek en de lier juist heeft verbeterd, vooruit bracht, en toch niet werd erkend. Jammer, want juist de warmere klank van Sierhuis’ lier, biedt veel meer mogelijkheden, zoals eerder hier beschreven.

Rudolf Steiner, grondlegger van de antroposofie, heeft altijd beweerd, dat men juist met de nieuwe tijd, op een verantwoorde manier, mee moet gaan. Steiner was dus voor vernieuwing! En dat heeft Bart Sierhuis willen bereiken…

De juiste benaming voor het instrument van Bart Sierhuis

Bart Sierhuis noemde zijn instrument Kinnor, of Davids Harp. Zoals eerder beschreven, klopt de laatste benaming niet. Maar in Israël wordt de lier wel als Kinnor benoemd. Tevens had Sierhuis ten doel gesteld de lier te verbeteren, en week daarom niet af naar een ander instrument. Omdat het beeld van Koning David een belangrijke inspiratiebron voor Sierhuis was, dat ook terug te zien is in het uiterlijk van zijn instrument, zou je het instrument kunnen benoemen als David-Lier, of David-Kinnor. Uit de praktijk blijkt dat het instrument van Sierhuis voornamelijk lier genoemd wordt, dus de voornaamste benaming zou dan Davids Lier zijn. Kinnor kan dus ook.